Introductie


Als het over leren gaat, denken we vaak aan school, boeken of opleidingen. Dat klopt natuurlijk, maar ondertussen leer je zo ongeveer onafgebroken. Elke keer als je in een nieuwe situatie terechtkomt, leer je wel iets. Ook op je werk, uiteraard.

Stel, je wordt gevraagd om voor het eerst een bepaalde meeting voor te zitten. Hoe reageer je dan? Schiet je meteen in de actie? Zet je eerst alles op een rijtje? Ga je op je gevoel af om erachter te komen wat je ervan vindt?

Het verschilt van persoon tot persoon. Iedereen heeft zijn of haar eigen voorkeur in een nieuwe (leer)situatie. Dit noemen we je voorkeursleerstijl. Je voorkeursleerstijl zegt iets over hoe je nieuwe informatie van nature benadert en dus ook wat er, qua studie of leerstof, het beste bij jou past. Handig om te weten dus.

Hieronder kan je de Kolb-test doen. Deze test maakt duidelijk wat jouw leerstijl is. Direct na afloop van de test krijg je informatie over wat jouw stijl inhoudt.

Testuitleg

Rangschik per vraag de stellingen door er een 4, 3, 2, of 1 waardering aan te geven. Vul een 4 in bij de stelling die het meest op jou van toepassing is, een 1 bij de stelling die het minst overeenkomt met wat jij zou doen. Let op: sla geen stelling over en geef geen gelijke waarderingen! Dit is een beschrijvende en vergelijkende meting, geen evaluerende. Maak er dus geen probleem van dat een begrip niet geheel jouw gedrag of aanpak weergeeft.


1.
a. Je zoekt met name naar verschillen c.q. onderscheidingen.
b. Je wilt in eerste instantie zaken eens uitproberen.
c. Je voelt jezelf betrokken bij wat er gebeurt.
d. Je bent gericht op het praktisch kunnen toepassen.

2.
a. Je bent ontvankelijk voor nieuwe dingen.
b. Als er iets gebeurt, ben je gericht om ter zake te zijn.
c. Je bent analytisch ingesteld.
d. Je bent geneigd je onpartijdig op te stellen.

3.
a. Je let vooral op wat je voelt en ervaart.
b. Je bent oplettend.
c. Je denkt vooral na.
d. Je bent vooral bezig.

4.
a. Je neemt de dingen zoals ze zijn.
b. Je neemt risico met wat je doet of zegt.
c. Je kent waardeoordelen toe.
d. Je probeert je steeds sterk bewust te zijn van wat er gebeurt.

5.
a. Je gaat vooral intuïtief te werk.
b. Je bent gericht op iets doen.
c. Je probeert in eerste instantie logisch te denken.
d. Je stelt jezelf vooral onderzoekend op.

6.
a. Je vindt abstractie en begripsvorming belangrijk.
b. Je observeert en luistert vooral.
c. Concreet taalgebruik heeft meer je aandacht dan abstract.
d. Je bent vooral actief.

7.
a. Je bent met name op het heden, het hier en nu, gericht.
b. Je laat alles nog eens door je hoofd gaan en denkt erover na.
c. Je bent met name gericht op wat er nog gaat (zal) gebeuren.
d. Je bent vooral pragmatisch ingesteld, nuttig, oplossingsgericht.

8.
a. Je trekt vooral lering uit ervaringen.
b. Vooral door te observeren, verzamel je gegevens en informatie.
c. Je trekt vooral lering door zaken voor jezelf te ordenen en samenhang te zoeken in een begrippenkader.
d. Je trekt vooral lering door ideeën en vermoedens te toetsen en ermee te experimenteren in nieuwe situaties.

9.
a. Je reageert vooral sterk gevoelsmatig.
b. Je houdt bij voorkeur enige afstand t.a.v. wat er gebeurt.
c. Je benadert wat er gebeurt met name verstandelijk.
d. Je vindt jezelf actief medeverantwoordelijk voor wat er gebeurt.



Verwerk mijn antwoorden

Laat je naam en nummer achter en we bellen je zo snel mogelijk!